| De Druivenpastoor van Henk Willemsen - verslag Ton ter Heijden |
|
|
Op woensdagavond 10 februari kwamen ca. 50 belangstellenden naar de bibliotheek van Monster om een kijkje te krijgen in het leven van de “Druivenpastoor”.Henk Willemsen, schrijver van diverse historische studies, wist de aanwezigen ruim anderhalf uur te boeien met de beschrijving van het leven van deze markante, intelligente zielenherder.
Franciscus Verburch (zelfgekozen schuilnaam met onbekende herkomst) werd op 28 december 1616 als Vranck Willeboortsz. van Uytenbrouck in het kerkdorpje Berckel (Zuid-Holland) geboren. Het was de tijd van de controverse tussen Johan van Oldebarneveldt en stadhouder Prins Maurits van Oranje-Nassau. Deze tweespalt zou in 1619 tot de onthoofding van Van Oldebarneveldt leiden. Een roerige tijd, waarin o.a. Piet Heyn de Spaanse Zilvervloot veroverde (1628) en de Franse Hugenoten naar de Noordelijke Nederlanden vluchtten.
|
 |
Vrancks vader was kleermaker. Opa (vader van moederszijde) was veeboer, fruitteler en rietsnijder aan de Noordeyndse Wegh, waar de latere “Druivenpastoor” veelvuldig meewerkte op de boerderij. Hiermee is de belangstelling van Vranck voor de fruitteelt eenvoudig verklaard. In aanvang zou Vranck vader opvolgen als kleermaker. Deze schrandere knaap toonde al vroeg ambitie voor het geestelijk leven. Hierdoor belandde hij op de Latijnse school te Delft. Toen hij 21 jaar was ging Vranck studeren aan het Jezuïetencollege (Gymnasium ) in het Gelderse Emmerik. Overigens kozen zijn drie zussen ook voor een celibatair bestaan en wel als “klopje”. Zus Annitge bleef tot haar dood klopje bij Pastoor Verburch in Poeldijk. In 1641 begon Vranck zijn priesterstudie aan de Universiteit van Keulen, waarbij de faculteit voor “Theologie, Kunst en Landbouw” hem integraal de mogelijkheid bood een hoogwaardige, academische landbouwstudie te volgen. Hij schreef zich hierbij in als Vranck Verburcg. Hij rondde zijn studie af in 1646 en werd daarna in Amsterdam door apostolisch-vicaris Rovenius gewijd tot priester. In 1647 (Frederik Hendrik opgevolgd door Prins Willem II) wordt Vranck tot pastoor benoemd in het Westland, een in oppervlakte zeer grote parochie. Hij begon in een schuur als schuilkerk op het toenmalige kerkhof te Poeldijk. Zelf woonde hij aanvankelijk in een vervallen krot (Geester Wyck), niet ver van de Monsterse molen. Hij had het niet gemakkelijk, aangezien m.n. de Heijdse bevolking een vijandige houding aannam tegenover de nieuwe pastoor. Scheldpartijen en bekogelingen met stenen waren geregeld aan de orde. Monster,Ter Heyde en Scravesant waren in die tijd streng calvinistisch. Deze episode liep tot 1655, het jaar waarin Pastoor Verburch zich vrij mocht vestigen in Poeldijk. In deze fase voerde Verburch een constante strijd tegen de armoede. Zijn bijzondere positie t.o.v. het Huis van Oranje (Hof van Hontsholredyck) kwam hem hierbij goed van pas. Verburch mocht zelfs als vermogend man worden aangemerkt o.a. door de vele benoemingen in schuldbekentenissen en testamenten. Tussen 1655 en 1688 kwam zijn inzet als zielzorger tot volle wasdom. Zijn preken (Prekenboek) geven een historische interpretatie van het fenomeen en mens “Verburch”. Het handgeschreven “Prekenboek” (met moraliserende en onderrichtende inhoud naar de Rooms-Katholieke leer volgens Trente) bevindt zich nog steeds in de kluis van de H. Bartholomeus kerk te Poeldijk. Hij bediende zich van Humanisten-Latijn en trachtte geen aanstoot te geven jegens de opvattingen van de Delftse en Westlandse predikanten, die desalniettemin de Staten van Holland verzochten die “Paep uytten Poeldijck” aan banden te leggen. Moedig en met hulp van invloedrijke figuren van het Oranjehuis wist hij de Contra-Reformatie vorm te geven en in stand te houden. Na 1650 begon voor het Westland (gespecialiseerd tuinbouwgebied: bladgroente-, aardappel- en fruitteelt) een periode van grote welvaart. Pastoor Verburch heeft daar op zijn eigen wijze (ontwikkeling van het schoor- of schietraam) mede toe bijgedragen. Verburch én Westerbaen deden proeven met allerlei cultuurgewassen. Zij kruisten, entten en oculeerden. Verburch legde zich helemaal toe op de druiventeelt en exoten (vijg, abrikoos en pruim). De druif werd zelfs exportprodukt en in Engeland roemde men de “Westlandse Blauwe”. Op deze wijze werd in het Westland de bakermat gelegd voor de imposante Nederlandse tuinbouw. Rond 1688 begon een levensfase, waarbij zijn strijd tegen de Jansenisten (kerkelijke twist over een theologische uitleg) verhardde en hij ook belangrijke vrienden (C. Fagel, secretaris van prins Willem III) kwijt raakte. Toen eveneens pastoor Cornelis Verburch van Wateringhe (neef van Vranck) overleed, raakte Verburch in een depressie. Na verscheidene, houtsnijdende preken (“Het geloof is dagelijks in de natuur en op de akkers thuis !”) preekte Magister Franciscus Verburch voor het laatst tijdens de Kerst van 1707. Op 1 januari 1708 is Vranck overleden aan de griep. Hij werd opgevolgd door Joannes van Bijleveldt. Zijn graf is nimmer gevonden. Wellicht toch op het oude kerkhof van Poeldijk? De “Druivenpastoor” werd een legendarische figuur, met missionair oog voor het zielenheil van de Westlanders in de Gouden Eeuw. Daarnaast heeft hij de Westlandse tuinbouw enorme impulsen gegeven en verkeerde hij in zeer gegoede kringen, waardoor hij zijn missie haast “buiten proportie” heeft kunnen optimaliseren. Deze “man van de dialoog” dwong bij vriend en vijand respect af door zijn levenshouding, waarbij hij via de contacten met de rijken uit zijn parochie een zegen kon zijn voor de minderbedeelden …!
|